Boete en verzoening

De biecht  



Dit sacrament is gebaseerd op o.a. de volgende teksten uit het evangelie:

‘Wier zonden gij vergeeft, hun zijn ze vergeven, wier zonden gij niet vergeeft, hun zijn ze niet vergeven’ (Joh. 20,23)

‘Belijden we onze zonden, dan zal hij, die trouw en rechtvaardig is, ons onze zonden vergeven en ons reinigen van alle kwaad’ (1 Joh. 1,9)

‘Het Rijk Gods is nabij, bekeer u en geloof in de Blijde Boodschap’ (Mc. 1,15)

 

Het sacrament van de biecht zit vandaag in een diepe crisis. Vele redenen kunnen wij vinden in de praktijk van de voorbije decennia. Maar dit helpt ons niet vooruit om te kijken naar de diepere inhoud van het sacrament.

Een van de grootste hindernissen die wij in het biechtsacrament ondervinden is wellicht het besef, of beter gezegd, het niet meer beseffen van onze eigen tekortkomingen die hun weerslag vinden in onze relaties tot elkaar en tot God zelf. ‘Ik doe toch niemand kwaad’ is een vaak gehoorde uitspraak.

 

‘Zonde’, ‘boete’, ‘bekering’, ‘verzoening’ zijn woorden die het niet zo goed doen vandaag, ze klinken zeer oubollig passé.

Toch komen deze woorden terug op haast elke pagina van het Nieuwe Testament. De ontmoeting met Jezus is telkens een bekeringsmoment, een anders gaan leven, een verrijzenisgegeven. In haast elke ontmoeting met Jezus klinkt de vraag van Jezus: ‘Wat verlangt gij van mij?’ En telkens opnieuw moet de persoon zich helemaal toevertrouwen aan Jezus zelf. En in dat toevertrouwen, in dat uitspreken van nood, van bekering, gebeurt het grote wonder: het herstel van een gebroken relatie met zichzelf, de medemens en met God.

 

Een biecht of biechtgesprek kan als volgt verlopen:

Een korte, maar hartelijke ontmoeting tussen de priester en de biechteling.

Het openen van het biechtmoment met het teken van de Heer: het kruisteken en een inleidende formule door de priester.

Het uitspreken van de bereidheid om een beter mens te worden door het aanhalen van enkele feiten die de onvolmaaktheid van de penitent uitdrukken. Het mondeling uitspreken is een belangrijke stap op weg naar bekering en verzoening. De mens erkent hierin zijn zondig verleden, neemt daar de verantwoording voor op zich en stelt zich open om in de toekomst zich in te zetten om een beter mens te worden.

De verzoenende woorden door de priester namens God spreken over het herstellen van het aangerichte kwaad waar mogelijk en de toekomstgerichte uitnodiging om een nieuwe weg in te slaan in de relatie met de medemens en met God.